Bezienswaardigheden Kameroen

Alantika Mountains

In dit gebergte ten noordwesten van Ngaoundéré wonen de Koma, een etnische groep die een nogal teruggetrokken bestaan leidt. Daardoor zijn cultuur en tradities al eeuwenlang onveranderd. De gedrongen bergbewoners zijn afstammelingen van pygmeemannen en Koma-vrouwen. Die laatsten dragen niet meer dan een ‘cache sexe’ (schaamlap) van bladeren die met een touwtje rond het middel worden gebonden en een paar keer per dag worden ververst. Deze primitief levende groep onderscheidt zich van andere in de regio door de bijzondere manier waarop ze omgaat met doden. Die zijn in de ogen van de Koma niet dood maar leven voort. Vandaar ook dat regelmatig hulp of advies wordt gevraagd aan de voorouders. Het landschap wordt bepaald door dorpjes met ronde hutten van steen en leem voorzien van puntdaken van gedroogde gierststengels. Naast gierst worden ook bananen verbouwd. Die kunnen hier groeien dankzij het water van tientallen riviertjes. De dodencultuur van de Komas en Dowayos staat beschreven in het boek ‘Alantika, Bergland in Kameroen’ van de Franse schrijver René Gardis, die hier in 1955 als een van de eerste Europeanen kwam. Het boek is verplichte lectuur voor eenieder die een trekking door dit gebied wil maken. Een actuele beschrijving van het leven van deze etnische groep geeft de Britse auteur Nigel Barley in zijn boeken ‘Traumatische Tropen’ en ‘De rupsenplaag’.

Amsa

Iets ten zuiden van Rhumsiki ligt het dorpje Amsa, bekend door zijn edelsmid. Die maakt bronzen beeldjes en gebruiksvoorwerpen volgens de eeuwenoude maar vrijwel verdwenen techniek van de ´verloren vorm´. Daarbij wordt in een traditionele hoogoven koper en tin verhit in een aardewerken vorm vol bijenwas. Die vorm wordt daarna voorzichtig verwijderd door er met een hamertje op te tikken. De hoogbejaarde smid demonstreert zijn kunnen graag, geassisteerd door zijn vrouw. Wie na afloopt iets koopt, hoeft niets te betalen voor de demonstratie.

Bafoussam, Bandjoun

Bafoussam is de hoofdstad van de provincie Ouest (Het Westen). Hier bloeiden ver voor de komst van de kolonialisten al koninkrijken. Elke koning (chef of fon) had zijn eigen domein (chefferie) met daarop een hoofdgebouw, de huizen van zijn vrouwen en een paleis. De chefs zijn nog steeds in functie maar hebben hun chefferies vaak opengesteld voor het publiek. Hoewel de paleizen in Bafoussam en Bandjoun niet toegankelijk zijn voor bezoekers, kunt u wel de hoofdgebouwen bekijken. Dat zijn reusachtige rieten daken ondersteund door houten pilaren. Ze werden fraai bewerkt, specialiteit van de etnische groep de Bamiléké. De muren zijn van leem. Binnen is het aangenaam koel. De kunstschatten en andere waardevolle voorwerpen van de koningen en notabelen, met wie hij regeert, zijn te bewonderen in musea op beide terreinen. Gidsen leiden u tegen betaling rond en geven tekst en uitleg.

Bafut

In tegenstelling tot in Bafoussam en Bandjoun is het paleis van de sultan hier wél toegankelijk. Het uitgestrekte complex, omgeven door een lemen muur, lijkt met de vele woningen, muurtjes en hofjes een dorp op zich. Het vroegere gastenverblijf, gelegen op een heuvel naast het complex en bereikbaar via een lange trap, werd gebouwd door de Duitsers in de koloniale tijd. In het stenen gebouw is thans het museum gehuisvest. Hier bevindt zich de privécollectie van de koning, die nogal verschilt van de kunstverzamelingen in de musea van de andere chefferies. Bezoekers kunnen twee traditionele dansen boeken: eentje uitgevoerd door vrouwen, de andere door mannen. Zo rustig als de eerste is, zo wild gaat het er aan toe in de tweede. Met op hun hoofd grote maskers en aan de benen rammelaars springen de in ‘verenjurken’ gehulde mannen in het rond. Muzikanten geven het ritme aan met trommels en ´balafons´ (houten xylofonen). Tijdens de dans worden de bezoekers op een bijzondere manier welkom geheten en uitgenodigd een glas palmwijn te drinken. De sultan zelf laat zich hoogstzelden zien.

Bénoué National Park

Een wildpark dat door de aanwezigheid van bomen , struiken en heuvels een totaal ander karakter heeft dan het vlakke en meer open Waza N.P. In Bénoué is het moeilijker om dieren te spotten maar de beesten die u ziet zijn hele andere: vooral bosdieren zoals apen (meerkatten, bavianen), kobs (soort waterbok) en zwarte buffels. In de rivier de Bénoué, die het park doorkruist, bivakkeren het hele jaar door nijlpaarden en krokodillen. In de droge tijd verhuizen ze naar plekken waar water is blijven staan. De poeltjes zijn te voet te bereiken onder leiding van gidsen, met wie ook gamewalks en –drives gemaakt kunnen worden.

Blangoua

De meest noordelijke en tevens warmste plek van Kameroen. Deze nederzetting, bevolkt door vissers van de Kotoko-stam, ligt aan de oevers van de Chari-rivier op een steenworp afstand van het visrijke Meer van Tsjaad. Hier komen de fraai gekapte en versierde Choa-Arabische nomaden om hun handelswaar te verkopen op de drukbezochte vrijdagmarkt. Daar worden ook groenten, kruiden en zelfs stoffen aangeboden.

Campo Ma’an National Park

Om de toenemende houtkap in het natuurreservaat Campo een halt toe te roepen, werd het in 2000 tot nationaal park verklaard. Daarmee werd niet alleen de toekomst van veel bomen verzekerd maar tegelijk ook die van een van de laatste groepen laaglandgorilla’s in Kameroen. Hun aantal is drastisch afgenomen. Dat komt doordat er op ze wordt gejaagd voor hun vlees. Met de verkoop ervan kan grof geld worden verdiend. De overheid, gesteund door het Wereld Natuur Fonds, probeert deze handel in ‘bushmeat’ te bestrijden maar boekt slechts langzaam vooruitgang. Doordat er jacht op ze wordt gemaakt, laten de mensapen zich moeilijk spotten. Hetzelfde geldt voor (bos)olifanten en zwarte buffels. Kleinere apensoorten, spectaculair gekleurde vogels en reptielen komen vaker in beeld. Een bezoek aan het park, gelegen op de grens met Equatoriaal Guinée, is vooral interessant voor wie het tropisch regenwoud wil ervaren. Bezoekers die op ‘jungletrekking’ gaan, krijgen een gids mee en mogen zolang als gewenst verblijven in een dorp midden in het woud. Van daaruit worden excursies gemaakt. Opvallend zijn de vele woudreuzen en enorme bamboes die wel vijftien centimeter per dag kunnen groeien. Door het park slingert zich de rivier de Ntem, die bij de Memvé-Elé-watervallen over vijftig meter hoge rotsen naar beneden stort. Slechts een handjevol blanken ging u voor in het aanschouwen van dit adembenemende stukje natuur.

Col de Koza

Op deze bergpas, gelegen op elfhonderd meter hoogte, heeft u een schitterend uitzicht over de omgeving. Op de kunstig aangelegde terrassen verbouwen de Mafa, de etnische groep in deze streek, gierst (soort maïs). De dorpjes vol ronde hutten met spitse daken lijken tegen de steile hellingen gekleefd. Hoe meer vrouwen een man hier heeft, hoe meer hutten. Met hun lemen en stenen muren en daken van gedroogde gierstestengels hebben de dorpjes veel weg van kleine vestingen of adelaarsnesten.

Ebodjé

In dit kleine vissersdorp aan het strand ten zuiden van Kribi draait alles rond ecotoerisme. Het project wordt geleid door een comité van dorpsbewoners. Bezoekers kunnen kiezen uit een reeks excursies, variërend van vissen met de lokale bevolking in houten kano’s tot het bekijken van het beschermingsproject voor zeeschildpadden. Die komen hier massaal eieren leggen op de stranden. De inwoners van Ebodjé organiseren ook culturele avonden met muziek en dans. Daarna kunnen de gasten zich terugtrekken in hun gastenkamers of ‘boukarous’ (hutten, vaak rond, gemaakt van natuurlijk materiaal).

Foumban

De chefferie in Foumban verschilt nogal van de rest. Hier geen traditioneel hoofdgebouw met houten palen en rieten dak maar een volledig uit steen opgetrokken en drie verdiepingen tellende koloniale villa. Die kwam er begin negentienhonderd nadat een brand het oorspronkelijke gebouw van bamboe had verwoest. Het gebouw vertoont gelijkenissen met de luxe residentie van de toenmalige Duitse gouverneur in Buea, de vroegere hoofdstad van Kameroen. Het museum, een van de meest interessante van Kameroen, is gevestigd op de eerste verdieping van de villa. U ziet er de privécollectie van de sultan met veel aandacht voor zijn beroemde voorganger Njoya, die een eigen schrift ontwikkelde. De grote hoeveelheid kunstvoorwerpen, variërend van de eerste troon tot gevechtskledij en foto’s, vertelt de geschiedenis van de Bamoun-dynastie. Een andere ‘must’ in Foumban is een bezoek aan de ‘Rue des Artisans’ (handwerksliedenstraat). De tientallen winkeltjes en werkplaatsen van de ambachtslui staan vol met allerhande houtsnijwerk en bronzen voorwerpen van klein tot heel erg groot. Nergens in Kameroen vindt u zoveel maskers, beeldjes, sieraden en trommels bij elkaar als hier. Over trommels gesproken….In het Tam-tam-huis bij de moskee in het centrum van Foumban kunt u een zes meter groot exemplaar bekijken. Deze ‘oorlogstrommel’ is gemaakt uit de stam van een kapok-boom, die voor deze gelegenheid werd uitgehold. Opdrachtgever was sultan Bouombouo die met het slaan op zijn trommel de oorlog uitriep tegen de Bamoun-bevolking.

 Kofia

Een bijzonder eiland, diep verscholen achter papyrusvelden in het Meer van Tsjaad maar nog steeds op Kameroens grondgebied. Het geldt als een soort ´vierlandenpunt´. Vissers uit Kameroen, Tsjaad, Nigeria en Niger leven er vreedzaam samen en drogen er hun handelswaar aan grote rekken of roken de vis boven houtskoolvuurtjes. Daarna worden de tilapia en andere vissoorten verpakt in grote jutezakken en verkocht op de markt. Het enige dorp op het eiland, een verzameling lemen hutten met rieten daken, trekt door zijn strategische ligging veel handelaars in onder andere sigaretten. Er bestaat daarnaast een levendige handel in goederen die je in zo´n uithoek helemaal niet zou verwachten.

Korup National Park

Dit nationale park, in het westen van Kameroen aan de grens met Nigeria, geldt als het mooiste van het land. Het regenwoud dat hier ongeveer dertig miljoen jaar geleden ontstond, behoort tot de oudste van Afrika. Het park heeft binnen zijn grenzen maar liefst de helft van alle bomen en planten die voorkomen in regenwouden op het Afrikaanse continent. Daaronder Ebbenhoutbomen, Kolabomen en vele palmsoorten. Sommige groeien uitsluitend in Korup. Het park trekt ook vogelaars uit de hele wereld. Dat heeft te maken met de aanwezigheid van de Grijsnek Rotshoen die op slechts enkele plekken in Afrika voorkomt. Voor wandelaars en plantkundigen is Korup dan weer ideaal vanwege de gemarkeerde paden , waaronder een botanisch leerpad. Ze zijn te bereiken via een honderdtwintig meter lange hangbrug over de rivier de Mana. Teneinde dit unieke oerbos te behouden voor de toekomst, startte het Wereld Natuur Fonds er een project. Daarbij wordt tegelijk geprobeerd om het bestaan te verzekeren van de inheemse (pygmee-) bevolking die in het woud leeft. Om die reden werd het park ingedeeld in twee stukken: een centrale kernzone met streng toezicht en een randgebied waar de bewoners leven. Die laatste volgden een educatief programma waarbij ze uitleg kregen over zaken als het maken van kompost en de aanplant van snelgroeiende bomen die voorzien in de behoefte aan brandhout. Ze worden ook gestimuleerd om vissen en andere eetbare dieren te kweken. Zo hoopt het Fonds de stroperij terug te dringen. Dat moet de overlevingskansen vergroten van onder andere de zeldzame bosolifant, waarvan het vlees geldt als lekkernij. Andere zeldzame dieren in het park zijn chimpansees en luipaarden. Door hun grote schuwheid laten ze zich moeilijk spotten. Bosbavianen en Franjeapen zijn makkelijker te zien. Net als de grijze roodstaartpapegaaien en vele ijsvogels.. De vogels kunnen het best bekeken worden vanuit een ‘piroque’(houten kano) op een van de vele rivieren in het park. De beste tijd om Korup te bezoeken loopt van november tot mei. Aangeraden wordt de periode tussen december en maart te kiezen, de droogste tijd van het jaar. Korup behoort namelijk tot de gebieden in Kameroen waar de meeste regen valt. Daardoor heerst er het hele jaar door een extreem vochtige hitte.

Kribi

Zijn goudgele stranden, met cocospalmen omzoomd, behoren tot de mooiste van Kameroen. Het zal u dan ook niet verbazen dat Kribi veel toeristen trekt. Het stadje, gelegen aan zowel de Atlantische Oceaan als de monding van de rivier de Kienké, beschikt over een pittoresk haventje met een vismarkt waar de visafslag en visrestaurantjes naast elkaar liggen. Net als in Limbé kiest de klant zelf de vis uit. Het stadje werd gesticht door de Duitsers in de koloniale tijd. De kerk bij de haven en de oude vuurtoren zijn de stille getuigen van die periode. Kribi is ook een populaire weekend- en vakantiebestemming voor inwoners van Douala en Yaoundé. Beide steden kwamen uren dichterbij te liggen door de aanleg van een nieuwe snelweg. Iets ten zuiden van Kribi liggen de Lobé-watervallen, genoemd naar de gelijknamige rivier die hier uitmondt in de oceaan. Een vrij spectaculair gezicht, vooral in de regentijd, omdat het zoete rivierwater van dertig meter hoogte over enorme rotsen omlaag stort. Daar vermengt het zich niet direct met het zoute zeewater omdat een landtong dit verhindert. In de zo ontstane baai is het heerlijk zwemmen. Wie de watervallen van dichtbij en onderaf wil bekijken, kan een tochtje boeken in een uitgeholde boomstam. Liefhebbers van vis en rivierkreeftjes, door de Portugese ontdekkingsreizigers in 1472 ‘cameroes’ genoemd waaraan Kameroen zijn naam dankt, kunnen bestellen en eten op het strand met zicht op de watervallen. Iets verderop kan worden ingescheept voor een boottocht op de Lobé-rivier. Deelnemers kunnen tijdens die tocht een bezoek brengen aan pygmeeën. Die leven weliswaar nog steeds in het oerwoud maar zijn door hun contacten met toeristen vervreemd van hun oorspronkelijke cultuur.

Limbé

Dit vissersstadje aan de Atlantische Oceaan dankt zijn faam als toeristische trekpleister aan de beroemde zwarte zandstranden. De kleur heeft te maken met de net buiten de stad gelegen ‘Mount Cameroon’, met zijn 4095 meter de hoogste berg van West-Afrika. De ‘berg’ is eigenlijk een vulkaan die nog steeds actief is. Bij elke uitbarsting - de voorlopig laatste vond plaats in 2000 – belandt lava op de hellingen. Erosie, regenwater en beekjes voeren deeltjes van het zwarte vulkanische materiaal naar de zee, waar het zich vermengt met het zand op de stranden. Aan de rand van het centrum van Limbé ligt een botanische tuin met meer dan 150 verschillende plantensoorten. De tuin, doorsneden door een beek met kristalhelder water dat rechtstreeks van Mount Cameroon komt, werd in de koloniale tijd bij wijze van experiment aangelegd door Duitse wetenschappers. Ernaast ligt het ‘Wildlife Center’, een soort dierentuin met slangen, krokodillen en apen, waaronder gorilla’s en chimpansees. De meeste werden bevrijd uit gevangenschap bij particulieren. Op grote borden staan de levensverhalen van elk dier afzonderlijk. Daarnaast wordt ook de situatie van de mensapen belicht in de oerwouden in het Oosten van Kameroen en de strijd van de overheid tegen de handel in wat wordt genoemd ‘bushmeat’. De vismarkt van Limbé is, net als die in Kribi, een van de beste plekken in Kameroen om vis te eten. Down Beach telt tientallen restaurants en eethuisjes langs en op het strand die vooral barracuda en capitaine serveren. Elke klant mag de vis van zijn keuze zelf uitkiezen en onderhandelen over de prijs. De vis wordt aangevoerd door vissers uit Kameroen, Nigeria, Togo, Benin en Ghana die hun houten boten iets verderop aanmeren op het strand. Daar vindt ook het onderhoud van de beschilderde schuiten plaats.

Maroua

De inofficiële hoofdstad van de provincie Extrême Nord en tevens de derde grootste stad van Kameroen. Desondanks hangt er een relaxte en gemoedelijke, bijna dorpse sfeer. Dat komt doordat er nauwelijks hoogbouw is en aan weerszijden van alle avenues – waarvan slechts enkele geasfalteerd - hoge bomen staan. Die zorgen voor schaduw zodat het ondanks de hitte aangenaam wandelen is. De stad kreeg de bomen in de jaren zestig cadeau van de toenmalige president Ahidjo. Hij woonde weliswaar in de provinciehoofdstad Garoua maar zou net als daar iets hebben willen terugdoen voor zijn provinciegenoten die hem hadden gesteund in de verkiezingsstrijd. Wordt het straatbeeld overdag beheerst door brommertaxi’s, na zonsondergang verandert Maroua in één grote braderie. Op de trottoirs of gewoon langs de weg wordt vlees en vis gegrild en geserveerd. Uit de vele café’s klinkt opzwepende muziek en de terrassen zitten tot een stuk in de avond vol. Maroua wordt doorsneden door de Mayo Kaliao. De rivier staat een groot deel van het jaar droog en fungeert dan als doorgangsweg voor kuddes koeien en geiten. Voor de jeugd is de zandvlakte een ideaal voetbalveld. De weinige plekken waar water blijft staan, worden gebruikt als wasplaats. Maroua, met zijn meer dan twintig moskeeën een belangrijk centrum voor de islam, geldt ook als een van de beste handwerkscentra van Kameroen waarbij de nadruk ligt op leder- en ijzerwaren. Ze zijn in alle soorten en maten verkrijgbaar op de dagelijkse markt in de smalle steegjes in de binnenstad. Wie de ambachtslieden zelf in actie wil zien, kan een bezoek brengen aan de leerlooierijen, ververijen en smederijen aan de rand van de stad. Daar zijn ook de brouwerijen gevestigd waar lokaal bier wordt gebrouwen in grote kalebassen.

Meer van Maga

Dit meer ontstond in 1979 als een samenwerkingsproject van de Kameroense overheid en enkele buitenlandse niet-gouvernementele organisaties. Ze besloten de Logone-rivier in te dammen op een plek waar ze in de regentijd telkens buiten haar oevers trad. Sinsdien behoren de jaarlijkse overstromingen tot het verleden. Met de zo onstane plas, ongeveer 47 vierkante kilometer groot, kwam tevens een einde aan het watertekort in de regio in de droge tijd. Het waterbeheerproject leverde de lokale bevolking ook extra werkgelegenheid op. Door middel van sluisjes kan op elk gewenst moment water uit het meer naar de lager gelegen akkers worden gevoerd. Dit maakt rijstteelt mogelijk met zelfs twee oogsten per jaar. Het meer, in de regentijd iets van dertig meter diep maar in de droge tijd ongeveer twaalf, zit boordevol vis. Op de capitaine en tilapia komen heel wat pelikanen op af. Een kudde nijlpaarden vindt het er eveneens goed toeven. Wie de 27 jaar oude stier Moespoeloe en zijn harem van dichtbij wil zien, kan een piroque (houten kano) huren van een van de vissers.

Mora

Een rustig stadje aan de voet van het Mandara-gebergte met lommerrijke lanen en steegjes die een soort ´souk´vormen waar het ideaal kuieren is. Op zondag tovert de weekmarkt het centrum om tot een ontmoetingsplaats van animistische bergbewoners en tot de islam bekeerde stammen uit de omliggende vlakten. Samen zorgen ze voor een kleurrijk schouwspel. Vooral de fraai beschilderde Peul-vrouwen en de spaarzaam geklede dames van de Podoko, een andere etnische groep, vallen op. De markt biedt een vrolijke mix van allerhande kleding, etenswaren, gebruiksvoorwerpen, sieraden en dieren.

Oudjilla

In dit pittoreske dorp op achthonderd meter hoogte in de bergen bij Mora woont het opperhoofd van de Podoko. Een bezoek aan diens paleis brengt u letterlijk en figuurlijk terug naar het stenen tijdperk. De sultan – een kwieke zeventiger - heeft maar liefst honderddertien kinderen en vijftig vrouwen die op verzoek en tegen betaling hun danskunsten vertonen tijdens de ´Dans van de jonge vrouwen´. De vrouwen wonen allemaal in het paleis waar ze elk hun eigen afdeling hebben. Onder leiding van een gids - een lid van de hofhouding – mag u er rondlopen en fotograferen. Wie gelukt heeft, kan de islamitische koning in eigen persoon ontmoeten en de hand schudden. De slingerweg naar Oudjilla voert u door een schitterend landschap met vele saré’s (verzameling hutten met rieten daken omringd door stenen of lemen muurtjes).

Pouss

Iets voorbij het Meer van Maga ligt Pouss, centrum van de etnische groep de Mousgoum. De leden zijn te herkennen aan hun fraaie gelaatstrekken en versieringen in het gezicht maar bovenal hun lengte. Veel mannen halen de twee meter of meer. Grote publiekstrekker in het dorp is de dinsdagmarkt, een van de grootste en tevens kleurrijkste van het noorden van Kameroen. U ziet er ook andere etnische groepen als de Fulbe (Peul), Mbororo, Massa en Tpuri. Die komen van heinde en verre met open vrachtwagens, ezelskarren en ossenwagens. Indien het reisschema en de tijd dit toelaten, kan eveneens een bezoek worden gebracht (eventueel alleen een fotostop) aan het paleis van de Lamido (sultan). De moeite waard vanwege de volledig door vrouwenhanden versierde en vrolijk beschilderde lemen toegangspoort. De sultan zelf ontvangt regelmatig toeristen, te regelen via zijn secretaris. De sultan legt graag uit wat zijn werk inhoudt en hoe het sultanaat functioneert. De ruimdenkende vijftiger staat open voor vragen en is door zijn lengte (ruim twee meter) bijzonder fotogeniek. Iets verderop langs de rivier staan enkele ‘Cases Obus’ (granaathuisjes) die samen een museum vormen. Hoewel niet authentiek zijn ze toch zeker het bekijken waard. De vier puntige huisjes, opgetrokken uit leem, werden gebouwd om jongeren en toeristen een beeld te geven van hoe er vroeger werd gewoond in de streek. Die stond ooit vol met dit soort traditionele maar tegelijk ook futuristisch aandoende woningen. Ze raakten in onbruik en verdwenen uiteindelijk omdat ze nogal wat onderhoud vroegen. De wanden moesten na elk regenseizoen worden bijgewerkt/aangesmeerd, wat veel tijd kostte. De puntvormige woningen kunnen van binnen worden bekeken onder leiding van een gids die tekst en uitleg geeft.

Rey Bouba

Rey Bouba geldt als het belangrijkste en meest vooraanstaande ‘Lamidat’ (sultanaat) van Kameroen. Het bestaat al sinds 1804. Nergens in Kameroen heeft de sultan meer macht over een groter gebied dan hier. Zijn paleis is omringd door een vier meter hoge lemen muur met bewakers. Westerlingen worden er zelden binnengelaten. Het straatbeeld en de atmosfeer compenseren dat ruimschoots. U waant zich in ‘Ray’ in de prekoloniale tijd van oude Peul-steden, opgetrokken uit leem in de vermaarde Soedanese bouwstijl zoals in Mali en Niger. Het straatbeeld wordt beheerst door mannen in witte of felgekleurde ‘boubous’(moslimgewaden) en vrouwen in bontgekleurde Afrikaanse doeken. Donderdags geven lokale muzikanten bij zonsondergang een openluchtconcert op het plein voor het paleis.

Rhumsiki

Het dorp Rhumsiki ligt in één van de meest bijzondere landschappen van Kameroen: een ‘maanlandschap’ gedomineerd door enorme rotsnaalden van soms wel honderd meter hoog. Miljoenen jaren geleden fungeerden ze als ´schoorstenen´van vulkanen. De kraters verdwenen in de loop der tijd door erosie waarna de lavapijpen bloot kwamen te liggen en verhardden tot basalt. Onder leiding van lokale gidsen kunnen wandelingen worden gemaakt door de valleien, eventueel naar dorpjes net over de grens in Nigeria. De geschiedenis van de Kapsiki, de etnische groep in deze regio, vertoont veel gelijkenissen met die van de Dogon in Mali. Beide groepen vluchtten de bergen in omdat ze niet bekeerd wensten te worden tot de islam en bleven daar uiteindelijk wonen. Ook de bouwstijlen van de hutten lijken op elkaar. In Rhumsiki kunt u een wel hele bijzondere waarzegger bezoeken. Hij beantwoordt uw vragen met behulp van een zoetwater krab. Die wordt in een kalebas gezet gevuld met zand, stokjes en stenen. Daarna wordt de kalebas afgedekt en loopt de krab rond in het donker. Van de omver gelopen stokjes en stenen kan de waarzegger het antwoord aflezen.

Tourou

Het hoog in de bergen en vlakbij de Nigeriaanse grens gelegen dorp Tourou is enkel te bereiken via een onverharde weg. Die voert u echter door een afwisselend landschap met saré’s, gierstvelden, baobab-bomen en schitterende vergezichten. Het dorp is elke donderdag het decor van een buitengewone markt. Niet de goederen maar de marktkooplui zijn de grote attractie. Goudour-vrouwen, een etnische groep die aan weerszijden van de grens woont, doen er zaken met op hun hoofd halve kalebassen. Die dragen ze als een soort helm. De helften zijn beschilderd met de meest uiteenlopende motieven. Daaraan is te zien of ze vrijgezel, al uitgehuwelijkt, verloofd of getrouwd zijn. Weduwen hebben eveneens hun eigen kalebas, te herkennen aan een dichtgenaaide scheur. Door de nabijheid van de grens, die trouwens nergens officieel staat aangegeven en ook niet wordt bewaakt, trekt de markt veel Nigerianen. Ze kunnen er in hun eigen valuta betalen en worden zelfs in hun eigen taal te woord gestaan.

Waza National Park

Het meest bekende van de zes wildparken in Kameroen met ook de grootste verscheidenheid aan dieren. In geen enkel andere park in West-Afrika bevinden zich meer beesten dan hier. Grote trekpleister zijn de olifanten. In kuddes van soms wel zestig exemplaren komen ze naar de drinkplaatsen. Sommige poeltjes zijn kunstmatig aangelegd om zowel dieren als bezoekers te plezieren in de maanden dat er geen regen valt. De drinkplaatsen trekken ook veel vogels waaronder pelikanen, adelaars, kroonkraanvogels, reigers, ijsvogels en ibissen. Met wat geluk spot u er ook leeuwen, giraffen, topi’s of roan-antilopen. Het park kent twee ecosystemen: een met acacia´s , olifantsgras en dicht struikgewas begroeid gebied in het westen (waarvan grote stukken regelmatig worden platgebrand in het kader van het parkonderhoud) en een vooral in de regentijd drassig gebied in het oosten.

Yaoundé

Ondanks het feit dat het een miljoenenstad is, hangt in de hoofdstad van Kameroen een ontspannen sfeer. De stad werd - net als Rome - gebouwd op zeven heuvels maar strekt zich intussen uit over een veelvoud daarvan. Op een van die heuvels, Mont Fébé, ligt het klooster van de Benedictijnen. Het huisvest het ´Musée d´Art Camerounais´, het meest interessante museum van het land. De collectie, ooit gestart door een monnik, telt vele kunstschatten uit de ´Grasslands´, het Engelstalige noordwesten van Kameroen. Buiten het klooster heeft u een panoramisch uitzicht over Yaoundé. Aan de rand van het centrum van de stad staat het monument van de hereniging. De spiraalvormige toren, die beklommen kan worden, symboliseert het samengaan van het Franstalige Cameroun met de Engelstalige Cameroons in 1961.

Vraag onze brochure aan!

schrijf je in voor onze nieuwsbrief

schrijf mij uit


© Untamed Wildlife Safaris 2002-2009,
info@untamedwildlife.com, adres: Zelksestraat 10, 6631 KE Horssen.